Het cognitieve vermogen

 

Wat valt er in z’n algemeenheid te zeggen over cognitief vermogen? Om te beginnen dat er drie niveaus zijn waarop het vermogen rust: 1. Een fysiologisch niveau 2. Een omgevingsniveau. 3. Een psychologisch niveau.

 

1. Het fysiologisch niveau

Zonder zenuwcellen komt het niet tot enig cognitief vermogen. De kwaliteit en samenstelling van de 52 Brodmanngebieden is erfelijk bepaald tot op celniveau. Per gebied kan de kwaliteit en de verbindingscapaciteit in de netwerken verschillen. Het maakt dat de ene een beter geheugen heeft dan de ander. Dat de ene een sterke heuristieke geest heeft terwijl een ander gemakkelijk afdwaalt, of zich overgeeft aan geloof. Dat de ene emotioneler reageert en de ander rationeler. Dat de een creatief is terwijl de ander zich strikt aan regels houdt. De een denkt meer in taal, de ander in beelden. De een denkt snel, de ander traag. Allerlei fysiologische combinaties in allerlei gradaties liggen aan de basis van het cognitieve vermogen van een individu. Geen brein is in detail hetzelfde. De verhouding van de vijf zenuwcellen kan per persoon verschillen, de kwaliteit van synapsen, de lengte van axonen, de witte en grijze stof en de werking van hormoonstoffen. Tot op moleculair niveau is de kwaliteit bepalend.

 

2. Het omgevingsniveau

Bij cognitie denken we niet alleen aan hersencellen, maar vooral aan hun werking. Die werking komt tot stand door input vanuit de zintuigen. Hetgeen ingevoerd wordt krijgt niet vanzelf betekenis, want die betekenissen worden verleend door de omgeving. Dat zijn in eerste instantie de ouders die hun kinderen leren. Door betekenissen kenbaar te maken zijn identificaties mogelijk. Objecten kunnen nu zonder taal aangewezen worden. De verbinding met de buitenwereld is gelegd. Daarna breiden de betekenissen van objecten zich uit in waarvoor ze dienen en wat ermee gedaan kan worden. De causaliteit van gebeurtenissen komt met het aangroeiende betekenisbestand langzaam op gang. Tegelijkertijd wordt daar het proces van waardering aan toegevoegd. Sommige dingen zijn slecht andere juist goed. Het ene is beter dan het andere. Het cognitieve vermogen krijgt inhoud; het is de inhoud die de omgeving aanreikt. Wat goed is en wat slecht is wordt vastgelegd, wat mooi is en lelijk, en waar en leugenachtig evenzeer. Voordat het individu zelfstandig bewust kan denken is de basis al gelegd. Het milieu waarin men opgroeit vertegenwoordigt alle belangen, ideologieën, geloof, interesses en veroordelingen. Deze grondslag wordt selecterend aangewend voor wat een individu in het verdere leven ontmoet. Alleen in de pubertijd komt er op fysiologisch niveau een revisie, veel cellen worden afgevoerd en door nieuwe vervangen. Het is de tijd voor een herinrichting, maar ook die herinrichting wordt bepaald door de input vanuit de omgeving. Twijfels kunnen wederom bevestigd worden, maar ook tot nieuwe conclusies leiden. Hoewel het denken zelfbevestigend is, kunnen er dus ook nieuwe ideeën of gedachten postvatten.

 

3. Het psychologisch niveau

De evolutionaire erfenis van dieren is ons onbewuste functioneren. Het laat zich op verschillende manier kennen. In het wegstarend dagdromen, in het graduele bewustzijn van de zintuiglijke ervaring, wanneer de attentie gericht is op een visueel beeld, terwijl het gehoor, de reuk, de smaak en het gevoel op een half of onbewust niveau blijven percipiëren. Maar ook in allerlei ongecontroleerde angsten en neigingen. Het onbewuste laat zich verder kennen in conditioneringen, wanneer we bijvoorbeeld autorijden. Maar het manifesteert zich het krachtigst en continu bij onze inschattingen en taxaties, in keuzes en oordelen. We noemen het ons waardensysteem dat rechtstreekse verbindingen heeft met het limbische gebied dat onze emoties regelt. Het is opgebouwd tijdens ons leven en werkt onbewust. Psychologen noemen het onze snelle manier van denken. De veel tragere manier van denken is ons bewuste denken. We kunnen het zien als een werktableau waarop herinneringen zich kunnen vermeerderen, zoals bij het gebruik van taal, maar ook bij rekenen en argumenteren. Tevens biedt het tableau een mogelijkheid tot het maken van analogieën, het associëren en combineren van gedachten; waarin het onbewuste en bewuste samengaan. Dat noemen we gewoonlijk creatief of inventief denken. Bewustzijn is de onmiddellijke continue kenbaarheid met een oppervlakkig karakter. We moeten het bewust richten en met het verzamelen van kennis kunnen we onder dat oppervlak kijken. Onbewust denken en het bewuste denken zijn voortdurend met elkaar in debat. Een onbemerkt debat evenwel, waarin soms het onbewuste wint, soms het bewuste. Maar even zo vaak komen ze tot overeenstemming en ondersteunen ze elkaars conclusies, al of niet terecht.

 

Het cognitieve vermogen is dus vooreerst een genetisch voortbrengsel dat evolutionair is gevormd door een biotoop. Zowel de fysiologie als de betekenisinhoud. De zintuiglijke basis is onbewust, maar is door het recurrente geheugen van de mens vermeerderd met bewuste ervaringen bij de culturele opmars, met taal, met rede, rationeel en constructief denken. Alles bepalend voor de kwaliteit van het cognitief vermogen blijft de biotoop, want daarin vormt zich het betekenisbestand dat aangevuld wordt met de heersende waarden. Storingen kunnen zich voordoen in elk van de drie ontwikkelingsfasen. Zie ook: Het cognitieve systeem               

De evolutie van het cognitieve vermogen.
Een theorie ondersteund door wetenschap en filosofie.